02-06-14

Recensie: Wees blij dat je ze nog hebt - Yvonne Kroonenberg

Titel: Wees blij dat je ze nog hebt
Auteur: Yvonne Kroonenberg
Genre: Waargebeurd: gezondheid
ISBN: 9789045026190
192 pagina's | Uitgeverij Atlas Contact | april 2014

Yvonne Kroonenberg:
Yvonne Kroonenberg (1950) is auteur en psycholoog en woont in Amsterdam. Zij schreef onder meer de bestsellers Alles went behalve een vent, Het zit op de bank en het zaptMonogamie voor beginners en De familieblues.

Het verhaal:
We worden tegenwoordig oud. Heel oud. En tegen de tijd dat we hulpbehoevend zijn is er geen luxe bejaardenflat meer waar we welkom zijn en vertroeteld worden tot aan een zachte dood. Mantelzorgers moeten het werk doen. Dat zijn meestal kinderen en kleinkinderen: zij geven liefde en zorg zo goed ze kunnen. En zijn ouders daar dankbaar voor? Niet altijd. In dit boek laat Yvonne Kroonenberg mensen aan het woord die met deze omstandigheden te maken hebben: wanhopige, opofferende, boze en blije mantelzorgers, dankbare en ondankbare senioren, verpleeghuisbewoners, kinderen en kleinkinderen van alle leeftijden. Ze sprak deskundigen en liep mee in een verpleeghuis. Wees blij dat je ze nog hebt is een bemoedigend boek over een ingewikkelde levensfase voor ouderen en hun dierbaren.

Mijn mening:
„Wij moeten bijkans dood neervallen om verlost te worden van de zelfredzaamheid. Tot dat moment zijn er voorzieningen: de thuiszorg, waarvan het personeel nog de meeste tijd besteedt aan overdrachtsrapporten schrijven en aan klokkijken om zich aan de voorgeschreven handelingsminuten te houden, verder zijn er poliklinieken en de mantelzorg.”

Een boek welke ik las met af en toe een lach maar vooral vele tranen. Van verbijstering naar een brok in mijn keel en tranen in mijn ogen naar een glimlach op mijn gezicht, eindigend in een stortvloed van tranen. Allerlei emoties kwamen tot uiting bij het lezen van deze persoonlijke verhalen. Maar vooral verdriet en pijn bij herkenning van beschreven situaties; de machteloosheid, het moeten leren omgaan met een dementerende oudere, het zorgen voor de hulpbehoevende oudere die niet altijd zit te springen op jouw hulp en in wie je op een gegeven moment je lieve moeder of vader niet meer herkent.

De verhalen in het boek komen heel dichtbij, zowel met mijn moeder als mijn schoonmoeder zitten we middenin het proces welke de auteur in dit boek beschrijft. Wanneer je hier zelf mee te maken krijgt, kom je erachter hoe het in Nederland geregeld is, of beter gezegd hoe het niet meer geregeld is, iets wat de auteur in dit boek mede duidelijk maakt. 

„Voor er een opname mogelijk is, moet de huisarts vaststellen dat er sprake is van hoge nood. Er komen allerlei instanties aan te pas die moeten beoordelen of er werkelijk geen oplossing gevonden kan worden in thuiszorg, of er echt geen familielid is dat nog wat extra kan bijdragen, geen buurman of buurvrouw die onder druk kan worden gezet om hulp te bieden, en hoe het gesteld is in de vriendenkring. Pas als al die mogelijkheden zijn onderzocht, komt er een andere deskundige onderzoeken in welke mate de patiënt werkelijk niet meer zelfredzaam is. Dat alles gaat volgens protocollen. Het is niet de bedoeling dat de ambtenaar zijn eigen verstand gebruikt. Soms is alle logica zoek.”

Het boek confronteert de lezer met een realiteit waarmee we waarschijnlijk allemaal in meer of mindere mate mee te maken gaan krijgen. Werd voorheen de zorg voor onze ouderen uitbesteed aan derden en instellingen, vandaag de dag wil de regering dat kinderen en kleinkinderen steeds meer deze taken over zullen gaan nemen als mantelzorger.

„Bejaardencentra worden de laatste tijd in een snel tempo opgeheven. Dat moet van de regering. Het is de bedoeling hulpbehoevende ouderen zo lang mogelijk met thuiszorg en mantelzorg in hun eigen woning op te vangen. Maar op de thuiszorg wordt ook bezuinigd. Werknemers worden ontslagen, thuiszorgverenigingen opgedoekt. Er moet weer echte zorgzaamheid vanuit de samenleving worden gegenereerd, sprak de staatssecretaris van het ministerie van ZWS van kabinet Rutte II bevlogen. Hij zou eens op bezoek moeten gaan in de samenleving.”

In het boek lezen we de verhalen van mantelzorgers die de auteur interviewde of die reageerden n.a.v. haar bericht op Twitter en Facebook. Daarnaast geeft zij ook een inkijkje in hoe het er in verpleeghuizen aan toe gaat. Ze sprak deskundigen en liep mee in een verpleeghuis. Het resultaat is een hartverwarmend en hartverscheurend boek welke mij diep raakt en een stukje herkenning geeft.

„Er was veel overeenkomst tussen de verhalen: Het beleid sloot niet aan op de behoeften van de bewoners en niet op die van de medewerkers. Het geld werd besteed aan administratieve of cosmetische verbeteringen en niet aan daadwerkelijke hulp. En overal moet alles snel, snel, ook als dat alle menslievendheid om zeep helpt. Alles wordt van hogerhand uitgerekend: er is zoveel tijd om de mensen uit bed te halen en naar het toilet te helpen, zoveel tijd om te ontbijten: de was moet gevouwen en intussen gaat er van alles mis.”

Aan het eind van het boek beschrijft de auteur de droom die ze heeft over hoe de ouderdom beleefd zou moeten worden en georganiseerd zou moeten zijn. Want, zo schrijft zij, „ouderdom is geen ziekte. Het is een levensfase waarin iemand lichamelijk niet op zijn best is. Oude mensen die dat aanvaarden en niet onophoudelijk aan zich laten dokteren, kunnen nog best een plezierig bestaan hebben. Geluk hangt veel meer af van verbondenheid met de wereld dan van bijvoorbeeld artrose.”

Haar droom is „dat er elke stad, in iedere gemeente, buurthuizen zouden bestaan waar oude mensen heen worden gestuurd om anderen te ontmoeten. Mensen die echt niet kunnen lopen, worden opgehaald met een busje. Er wordt bejaardengymnastiek gegeven en films gedraaid. Oude mensen zouden er zelf kunnen werken, voor zover ze daartoe in staat zijn. Het mag langzaam, het hoeft niet perfect te zijn, als iedereen maar bijdraagt en bezig is. 

Voor degenen die werkelijk niet meer zelfredzaam zijn, zouden er in alle buurten kleinschalige tehuizen moeten komen, van ongeveer vijftien mensen, met  ervaren vaste krachten en stagiaires. Vrijwilligers, buurtgenoten, familie, andere oude mensen die nog iets kunnen, studenten, werklozen worden aangemoedigd met de bewoners van het huis te wandelen, hen te helpen met eten als dat nodig is. Dit alles in ruil voor veel waardering en gratis mee-eten aan tafel. Misschien kan er een crèche aan worden verbonden. Oude mensen en kleine kinderen hebben soms veel plezier van elkaar. 

Zoals het nu gaat, maken de wetten vrijwel alles onmogelijk wat een plezierige aankleding van de oude dag zou kunnen zijn en gaat er een fortuin op aan fraudepreventie. Misschien kan het andersom: zodra de familie of wie dan ook merkt dat er misstanden zijn in een bejaardenvilla, komt een controlerende instantie in actie. Die onderzoekt snel en efficiënt wat er loos is en neemt maatregelen. Of is de kolos aan overkoepelende organen inmiddels niet meer te ontmantelen? Als dat zo is, wil ik een minister van dienst of een staatssecretaris dat wel eens hardop horen uitspreken. Terwijl de logge diensten snelle, doeltreffende hulp onmogelijk maken, worden de mensen in de samenleving steeds ouder.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen