26-09-14

Recensie: Een zwarte pyjama - Patricia McCormick

Titel: Een zwarte pyjama
Auteur: Patricia McCormick
Genre: Waargebeurd, Mens & Maatschappij
ISBN: 9789044344462
192 pagina's | The House of Books | augustus 2014

Patricia McCormick:
is een meermalen bekroond auteur en journaliste die veel is geprezen om haar menselijke benadering van moeilijke onderwerpen.

Arn Chorn-Pond:
wijdt zijn leven nu aan het helpen van jonge oorlogsslachtoffers, met de door hem opgerichte organisaties Children of War en Cambodian Living Arts. Voor zijn werk heeft Arn o.a. de Amnesty International Human Rights Award en de Spirit of Anne Frank Outstanding Citizen Award ontvangen.

Het verhaal:
Ze dragen een zwarte 'pyjama', de soldaten van de Rode Khmer die in 1975 in Cambodja aan de macht komen. Arn Chorn-Pond is dan elf. Hij wordt weggehaald bij zijn familie en naar een werkkamp gestuurd. In de verzengende hitte zwoegt hij op de rijstvelden en ziet mensen sterven. Op een dag vragen de soldaten of een van de kinderen een muziekinstrument kan bespelen. Hoewel hij nog nooit een noot heeft gespeeld, biedt Arn zich aan. Die beslissing houdt hem in leven, maar zorgt er ook voor dat hij midden in de Killing Fiels belandt. En juist als zijn land bijna is bevrijd, dwingt de Rode Khmer hem een van hen te worden.

Mijn mening:
Het boek vertelt het aangrijpende, schokkende en heftige verhaal van Arn Chorn-Pond die als elfjarige jongen te maken krijgt met het schrikbewind van de Rode Khmer. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van de elfjarige Arn, wiens verhaal door Patricia McCormick is opgetekend. De auteur heeft Arn’s verhaal geschreven als een roman. Hetgeen Arn Chorn-Pond aan haar vertelt heeft zij gecombineerd met haar eigen research en verbeeldingskracht om de open plekken in Arn’s verhaal in te vullen, daar Arn Chorn-Pond zich niet meer alles kan herinneren. 

„Wees als het gras. Buig mee, heel diep, en nog dieper. Als de wind een kant op blaast, buig jij ook naar die kant. Blaast de wind een andere kant op, dan buig je daarheen. Dat is de manier om te overleven.”

Arn woont met zijn zusjes en broertje bij hun tante in de stad Phnom Penh. Als op een dag de Rode Khmer de stad binnenvalt, trekken de inwoners in een stoet van duizenden mensen de stad uit in een dagenlange voettocht. Onderweg ziet Arn mensen sterven door uitputting en honger of door toedoen van de Rode Khmer. 

„Eén les heb ik al geleerd: maak je onzichtbaar voor die lui van de Rode Khmer.”

Ze worden door de Rode Khmer naar het platteland geleid om hier in werkkampen op de rijstvelden te werk te worden gesteld. De Rode Khmer heerst en beslist over hun leven. Individuen bestaan niet langer, iedereen is gelijk en ziet er voortaan hetzelfde uit, gekleed in een zwarte pyjama. Vanaf nu leven ze in het Jaar Nul in Cambodja. Het is de Angka die het land regeert.

„Niemand legt het uit, maar ik denk dat ik het weet. Ze vermoorden iedereen die vroeger rijk was of ene hoge positie had. Iedereen met een goede opleiding. Alle soldaten, leraren, dokters en musici. Als je arm bent, zit je goed. Het is de omgekeerde wereld. Rijk zijn is niet goed meer. Arm zijn kan je leven redden. Die lijst staat in het zwarte boekje. Zo beslissen ze wie blijft leven en wie moet sterven.”

Er komen aparte werkkampen voor volwassen mannen, vrouwen, jongens, meisjes en heel jonge kinderen. Arn wordt gescheiden van zijn familie en staat er helemaal alleen voor. Met zijn kampgenoten wordt hij gedwongen om dag in dag uit onder erbarmelijke omstandigheden rijst te verbouwen. Honger, angst en uitputting overheersen in het kamp. 

„Elke dag zegt de Rode Khmer dat we het verleden moeten vergeten. Dit is het Jaar Nul, zeggen ze. Hiervoor was niets. Alle kennis over vroeger is verboden. En ze vertellen ons steeds weer over een nieuwe ziekte van de geest: te veel nadenken. Je moet als de ossen zijn, zeggen ze: zonder gedachten, met enkel liefde voor de Angka. Maar in mijn hoofd houd ik een deur gesloten, waarachter ik mijn familie verberg. Waar mijn tante is, en mijn zussen en mijn broertje. Wachtend.”

Arn ziet hoe mensen om hem heen sterven van uitputting, honger en ziekte of hoe ze vermoord worden omdat ze in de ogen van de Rode Khmer een fout maken of niet hard genoeg werken. Kampgenoten worden meegenomen naar het mangobos en keren nooit meer terug. Wat achterblijft in het mangobos is een grote berg aarde, die verschrikkelijk stinkt.” Niemand is te vertrouwen, sommige mensen liegen, anderen proberen een wit voetje te halen bij de Rode Khmer. „Zelfs als je vriend ziet dat je niet hard genoeg werkt, moet hij dat zeggen, anders kan hij zelf straf krijgen. Overal is achterdocht, altijd.” Om te overleven moet Arn doen wat hem wordt opgedragen, zelfs helpen bij de gruweldaden van de Rode Khmer. 

“Deze mensen deugen niet,” zegt een van de Rode Khmer. “Ze zijn oud, ze werken niet meer hard. En gaan toch gauw dood.” Dan, heel snel, pakt hij zijn bijl en raakt ze tegen het achterhoofd. Bloed spat in het rond. De muren van de tempel, die mooie tegels met prachtige schilderingen, druipen nu van het bloed. Dan zegt de Rode Khmer tegen ons: “Nu komt jullie werk. Jullie moeten op ze pissen. Op hun hoofd.” Ik denk: dat doe ik niet, dat is verschrikkelijk. Dat doe ik echt niet. Maar dan kijk ik omlaag en zie dat ik al sta te plassen.”

Door zich een harnas van ogenschijnlijke gevoelloosheid aan te meten probeert Arn zich te wapenen tegen hetgeen hij ziet gebeuren en de onmenselijke omstandigheden waarin hij verblijft. Nooit mag hij zijn emoties tonen, hoe bang hij ook is. Het tonen van emoties als angst is levensgevaarlijk en kan leiden tot de dood. Arn probeert zijn vrienden wanneer het maar mogelijk is eten toe te stoppen, eten welke hij steelt of stiekem krijgt toegeschoven. Wanneer er op een dag gevraagd wordt of er mensen zijn die muziek kunnen maken, steekt Arn zijn hand op, hoewel hij geen instrument kan bespelen. Deze keuze blijkt zijn redding te zijn. Hij leert de khim te bespelen, zingt de Rode Khmer liederen over de revolutie en danst. Het lukt hem soms om de gruwelijkheden van het kamp voor even buiten te sluiten.  

„Soms oefen ik de muziek met mijn ogen dicht. Dan ga ik weg, alsof ik naar de hemel ga, zo stil. Op die momenten ontsnap ik. Alsof ik boven de aarde zweef, als een wolk. Alsof ik niet eens een lichaam heb, maar zelf geluid ben. Ik rijd mee op de wind, de zon schijnt op me neer, de wind strijkt door mijn haar en tilt me steeds hoger, totdat ik geen enkele gedachte meer in mijn hoofd heb, alleen muziek. Dan open ik mijn ogen en ben ik weer terug. In de stank van poep. En bloed. En dode lichamen. En angst. Altijd die angst.”

Wanneer de Vietnamezen naderen om het land te bevrijden van de Rode Khmer, worden de kinderen van de band en de dansgroep gedwongen deel te nemen aan deze strijd. Ze worden als De Kleine Vissen met de Grote Stekels tot een speciale gevechtsgroep van de Rode Khmer gevormd en ingezet als lokaas voor de Vietnamezen. 

„Die nacht is er een zwaar gevecht, waarin veel kinderen omkomen. Ik zie ze voor mijn ogen sterven. Je denkt dat je daar nooit aan gewend zou raken, zoiets ergs, kinderen die worden doodgeschoten, maar toch wen je eraan. Misschien wil je zelf ook wel dood. Toch is dat niet zo. Je leeft niet. Maar je bent ook niet dood. Je bent een levende dode.”

Arn weet te overleven in de jungle en kan uiteindelijk het vrije Thailand bereiken. De Amerikaan Peter Pond ontfermt zich over hem en laat Arn naar Amerika komen. Maar Amerika is zo anders als zijn thuisland en hetgeen er in Cambodja gebeurde, blijft hem achtervolgen. 

„Hoe kan ik deze man, deze man die me al die goede dingen heeft gegeven, die man die mijn leven heeft gered, nu zeggen dat ik altijd maar moet denken aan de mensen die gestorven zijn, de mensen die ik heb gedood? Hij heeft me uit het kamp gehaald en ik dacht dat ik al dat doden, al die mensen, achter me kon laten, ver weg in Cambodja. Hoe kan ik hem vertellen dat ze me tot hier gevolgd zijn? Hoe moet ik tegen hem zeggen: je bent een aardige man, Peter, maar ik, ik ben heel slecht? Alles wat ik denk is: ik wil dood. Ik wil doden. Zoveel haat in mezelf dat het pijn doet. Haat tegen de mensen die mijn familie hebben vermoord, haat tegen de mensen die mijn vrienden hebben vermoord, haat tegen mezelf.”

Peter neemt Arn mee naar bijeenkomsten om in het openbaar zijn verhaal te vertellen aan de toehoorders... 

„Als je vecht, denk je al die tijd alleen aan overleven. En als je overleeft, vraag je je steeds af waarom je niet dood bent. Maar nu kan mijn leven iets anders zijn. Nu, in Amerika, hoef ik niet te vechten, niet te overleven. Ik kan voor iets nieuws kiezen: voor het leven.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.